Handen om trots op te zijn

Weet je wat me het meest intrigeert bij mensen? Hun handen. Handen vertellen het hele levensverhaal van hun bezitter. De mooiste zijn niet de gave, gemanicuurde handen die reclame naar voor schuift, maar werkhanden. De grote, eeltige handen die in een fabriek werken of de ruwe, droge die schoonmaken of zorgen. Ik lijk daarmee een buitenbeentje te zijn.

Onze maatschappij verkiest de gave handen boven deze werkhanden. Om economisch te overleven gaan we voor een kenniseconomie die zich in België vooral concentreert op diensten. Als kind worden we gestimuleerd voor het ASO te kiezen en later studeren we het beste aan de unief. Gek genoeg lijken het vooral de bezitters van de werkhanden te zijn die er alles aan doen om hun kinderen weg te houden bij de jobs die ze zelf uitoefenen. Zijn ze dan niet trots op hun werk? Zijn ze, zoals Marx schreef, zozeer vervreemd van hun productie?

Hun meest gebruikte argument is “We willen dat je het beter hebt dan wij.” In België klopt het inderdaad dat arbeiders minder rechten hebben dan bedienden. Zo heb ik als startende bediende een opzegtermijn van 3 maanden, terwijl mijn vader minstens 10 jaar bij dezelfde werkgever moet werken om op dezelfde opzegtermijn recht te hebben. Hij werkt al 20 jaar in hetzelfde bedrijf en kan na maximum 112 dagen (+/- 6 maanden) op straat staan. Ontnuchterend, niet?

Bovendien zorgde de komst van de (Amerikaanse) managementcultuur in de jaren 1990 er voor dat arbeiders nog weinig te zeggen hebben in het productieproces: alles moet sneller, efficiënter en wordt van bovenaf opgelegd. In het slechtste geval zit een werknemer al aan de zoveelste herstructurering.

Maar eigenlijk beginnen de problemen al vroeger. Onze maatschappij toont nog steeds weinig waardering voor het technisch en beroepsonderwijs. Door het watervalsysteem verzamelt dit onderwijs eerder leerlingen die niet in het ASO mee kunnen en die daardoor gedemotiveerd zijn, dan leerlingen met een passie voor techniek. In vele gevallen is dit onderwijs ook meer gekleurd. Deze factoren schrikken ouders af, waardoor ze hun kinderen naar studierichtingen sturen die hen niet passen.

Ik vind dit ontzettend jammer. De laatste tijd ontmoet ik veel vakmensen die trots zijn op hun werk (en op hun handen) én die goed hun kost verdienen. Een bekwame mecanicien of metser kan zelfs meer verdienen dan de meeste bedienden. Bovendien zorgt het gebruik van moderne technologie ervoor dat deze beroepen geen ‘afbeulwerk’ hoeven te zijn. Ze tonen dat er nog een plaats is voor arbeid in onze economie.

Kenmerkend voor deze trotse werkhanden is dat ze heel ondernemend zijn. Vaak gaat het om zelfstandigen die dingen maken die absoluut nodig zijn of die het gat in de markt gevonden hebben. Ze scholen zich regelmatig bij, zodat ze toegevoegde waarde blijven creëren. Arbeid is dus zeker niet gelijk aan laaggeschoold of weinig kwalitatief. Een ander kenmerk is passie en talent. Deze mensen hebben bewust gekozen voor hun vak en/of zijn er heel goed in. Ze kennen ook een grote mate van autonomie of inspraak in hun job. Bij zelfstandigen is dit evident, maar je vindt het ook binnen een bedrijf dat open staat voor de participatie van zijn werknemers. Ik heb zelden een arbeider gezien die zo gemotiveerd was als de man die uitgedaagd werd het productieproces van zijn lijn te verbeteren én erin slaagde.

Laten we dus eindelijk scholen creëren die passie en talent ondersteunen. Stop met leerlingen naar richtingen te sturen die hen niet liggen, maar die een hoger aanzien genieten. Herwaarder arbeiders. Geef hen een statuut dat gelijk is aan dat van bedienden. Stimuleer hun inspraak en ondernemingszin binnen het bedrijf. Het zijn geen wegwerpwerknemers. Zorg ervoor dat de bezitters van werkhanden er weer trots op worden, net als op de producten die ze maken. Het zijn de mooiste handen die er zijn.

Hands to be proud of

Do you know what intrigues me most in other people? Their hands. Hands tell the story of their owners entire life. The most beautiful ones are not the pure, manicured hands promoted by advertisements, but working hands. The big, calloused hands working in a factory or the rough, dry ones cleaning and caring. This seems to make me somewhat of a misfit.

Our society prefers the pure hands to these working hands. In order to survive economically we choose a knowledge economy that in Belgium focuses on services. As a child we are stimulated to choose a general education and afterwards we should study at a university. Strangely it seems to be mostly the owners of working hands doing everything they can to keep their children away from the jobs they practise themselves. Are they not proud of their work? Are they, as Marx wrote, so estranged from their production?

Their most often used argument is “We want you to have a better life than ours.” In Belgium it is indeed true that workers have less rights than clerks have. For instance, as a starting clerk I have a notice period of 3 months, while my father has to work for at least 10 years with the same employer to earn the same notice period. He already works for 20 years in the same company and can find himself jobless after at maximum 112 days (+/- 6 months). Staggering, isn’t it?

Moreover the arrival of the (American) management culture during the 1990s silenced the workers voice in the production process: everything has to go faster, more efficiently and is imposed from above. In a worst case scenario an employee already survived a series of reorganisations.

But actually problems start earlier in life. Our society still shows little appreciation for technical and professional education. Through the ‘waterfall system’ these studies rather gather pupils that can’t cope in general education and that are demotivated by this experience, than pupils with a passion for technology. Often these studies are also more coloured. These factors put off parents. So they send their children to studies that don’t suit them.

I find this to be a pity. Lately I meet a lot of professionals who are proud of their work (and their hands) and who earn a good living. A competent mechanic or mason can even earn more than most clerks do. Moreover the use of modern technology ensures that these professions don’t have to be ‘slavery work’. They show that there still is a place for labour in our economy.

What characterises these proud working hands is the fact that they are very entrepreneurial. Often they are self-employed persons who produce things that are absolutely necessary or who have found a hole in the market. They retrain regularly, so that they continue to create added value. Thus, labour certainly doesn’t equal poorly educated or low quality. Another characteristic is passion and talent. These people made a conscious choice for their profession and/or are very good at it. They also experience a large measure of autonomy or participation in their job. This is evident for self-employed persons, but you also find it in a company that’s open to the participation by its employees. I have rarely seen a worker as motivated as the man who was challenged to improve the production process of his factory line and succeeded in doing so.

So let’s finally create schools that support passion and talent. Stop sending pupils to studies that don’t suit them, but provide a higher status. Revalue workers. Give them a status that is equal to that of clerks. Stimulate their participation and entrepreneurship within the company. They are not disposable employees. Ensure that the owners of working hands become proud of them again, and of the products they make. They are the most beautiful hands in existence.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *