In februari 2012 presenteerde 11.11.11 een ontluisterend rapport over BIO, de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden. Zo’n 100 miljoen euro uit diens budget zou de afgelopen jaren via belastingparadijzen gepasseerd zijn. Bovendien keerde ceo Hugo Bosmans zichzelf een riante verloning uit via management fees en zitpenningen. Er werden ook vragen gesteld bij de maatschappelijke relevantie van sommige gefinancierde projecten. Draagt een mega fitness center werkelijk bij tot de economische groei en duurzame ontwikkeling van een land? Draagt ontwikkelingssamenwerking hiertoe überhaupt bij?

De problemen rond ontwikkelingssamenwerking zijn veelvuldig. Een eerste groot probleem is de conditionalisering van hulp: donorlanden geven enkel geld aan ontwikkelingslanden onder bepaalde voorwaarden. In zijn ergste vorm komt dit neer op het geven van geld aan een dictator op voorwaarde dat die bepaalde groepen monddood maakt of een winstgevende concessie geeft aan bedrijf X uit het donorland. Een andere vaak voorkomende vorm is het geven van geld voor voedselhulp die dan in het donorland gekocht moet worden. Conditionalisering kan echter ook positief aangewend worden: hulp kan afhankelijk gemaakt worden van good governance en het respect voor mensenrechten.

Een tweede probleem is dat ontwikkelingshulp vaak inzet op megaprojecten, zoals waterkrachtcentrales of mijnen. De Wereldbank heeft hier wel een handje van weg. Het stelt de strijd tegen armoede (zijn eigenlijke doel) vaak gelijk met het streven naar economische groei. Het investeert daarom in grootschalige projecten die op lange termijn economische groei in het ontwikkelingsland kunnen brengen, maar die daarbij de lokale bevolking volledig verdringen.

Daarnaast blijft hulp te versnipperd en kan het hierdoor geen werkelijke impact hebben. Ze wordt bovendien tegengewerkt door de handelsakkoorden die Westerse landen met het Zuiden sluiten. Hoe kan je lokale boeren bijvoorbeeld deftig ondersteunen als je donorland tegelijkertijd massaal voedseloverschotten in het ontwikkelingsland dumpt. Hoe streef je naar waardig werk als een donorland onder het mom van vrijhandel elke regulering van de lokale arbeidsmarkt bestrijdt? De impact van de geldstromen naast ontwikkelingshulp wordt steeds groter: in 1970 was 70% van het geld dat naar het Zuiden stroomde ontwikkelingsgeld, nu is dat nog maar 13%.

In 2002 en 2009 publiceerden twee voormalige adviseurs van de Wereldbank een vernietigend rapport voor de traditionele instellingen voor ontwikkelingssamenwerking. Joseph Stiglitz zette met Globalization and Its Discontents de aanval in op het IMF en het Amerikaanse Ministerie van Financiën. Zij werden ervan beschuldigd met hun eis tot zware bezuinigingen in ruil voor geld groeilanden economisch dood genepen te hebben. Het IMF en het Amerikaanse Ministerie van Financiën zouden vooral de belangen van de Amerikaanse haute finance verdedigen. Dambisa Moyo zette met Dead Aid dan weer de aanval in op caritatieve hulp en op hulp van staten en internationale organisaties aan Afrikaanse landen. Deze hulp leidde volgens haar tot hulpbehoevendheid, corruptie, marktvervormingen en meer armoede in de ontvangende landen. Beiden bekritiseren een fundamenteel probleem: ontwikkelingssamenwerking is meestal eenrichtingsverkeer, de donor dicteert de ontvanger wat hij moet doen.

De vraag luidt dus niet zozeer: heeft ontwikkelingssamenwerking zin? Maar: was ontwikkelingssamenwerking ooit gebaseerd op samenwerking? De geschiedenis van onze DG Ontwikkelingssamenwerking ligt bijvoorbeeld in het oude Ministerie van Koloniën en diende aanvankelijk om de Belgische belangen in Congo te verdedigen. Ontwikkelingssamenwerking draagt dus een zware erfenis mee.

Het kan echter een volledig nieuwe richting inslaan. Het moet stoppen zomaar hulp te geven, zonder daarbij hulp weer te conditionaliseren. Een belangrijke stap zou gezet worden indien ontwikkelingsmedewerkers luisteren naar de inwoners van de ontwikkelingslanden zelf: Wat zijn hun concrete noden? Welke oplossingen zien zij zelf? Hoeveel geld en hoe lang hebben ze dit nodig? Financiële middelen moeten eveneens beter gegroepeerd worden om een maximaal effect te verkrijgen. Belgische projecten specialiseren zich bijvoorbeeld steeds meer in bepaalde thema’s en/of gebieden. Geld wordt hierdoor meer geconcentreerd en Westerse landen groeien naar een onderlinge taakverdeling op basis van hun expertises. Het belangrijkste is evenwel dat de politiek een geïntegreerd ontwikkelingsbeleid opstelt. Elk ministerie draagt een verantwoordelijkheid in de ontwikkeling van derde landen: Landbouw zou de exportsubsidies voor voedseloverschotten kunnen afbouwen, Buitenlandse Handel moet meer aandacht hebben voor de welvaart van zijn gesprekspartners bij de onderhandeling van handelsakkoorden, …

Meer en meer donorlanden en internationale organisaties beginnen hieraan te werken. Ze blijven het echter moeilijk hebben met de conditionalisering van hulp en met het opstellen van een geïntegreerde aanpak. Maar zolang hier niet aan gewerkt wordt, blijven de inspanningen op de andere fronten waarschijnlijk een nuloperatie.

Lees Zin en onzin van ontwikkelingssamenwerking in PDF.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *